Bestuurder Beter Wonen, vrijheid van meningsuiting, kritische opmerkingen, dreigend onrechtmatig handelen, smaad en laster

Gerechtshof Amsterdam 29-10-2013 ECLI: GHAMS:2013:3723

Gedaagde is voormalige bestuurder van woningcorporatie Beter Wonen (eiser). Na zijn ontslag publiceerde gedaagde een aantal artikelen over de woningcorporatie waarin hij op suggestieve wijze de woningcorporatie afbreekt. Een deel van de artikelen werden in een lokale krant gepubliceerd en een deel op zijn eigen weblog. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat eiser geen spoedeisend rechtsbelang heeft omdat de artikelen niet meer online staan. Dat verweer faalt omdat gedaagde dreigt de artikelen na de rechtszaak wederom online te zetten waardoor er sprake is van dreigend onrechtmatig handelen. De uitlatingen hebben betrekking op een vermeende misstand ten aanzien van het eventuele bestaan waarvan gedurende de afgelopen jaren hier te lande, naar feit van algemene bekendheid is, veel maatschappelijke onrust is ontstaan: de integriteit van het bestuur van een semipublieke organisatie. De uitlatingen waarin de verdenkingen en aantijgingen jegens [geïntimeerden] liggen besloten zijn in beginsel kritisch en cynisch van toonzetting maar hebben tegelijkertijd ook een tamelijk ironisch en met name satirisch karakter. De verdenkingen en aantijgingen vonden op het moment dat zij werden geuit, op zichzelf de nodige steun in de conclusies van het op 7 december 2009 uitgebrachte onderzoeksrapport-Van Veen. Op het moment dat de uitlatingen werden gedaan was weinig waarschijnlijk dat het door [appellant] nagestreefde doel langs andere, voor [geïntimeerden] minder schadelijke weg met redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt. Wat betreft het gezag dat derden zullen toekennen aan de uitlatingen van [appellant] moet worden opgemerkt dat aan diens uitlatingen in zoverre gezag toekwam dat hij een voormalig lid van de Raad van Toezicht was, maar dat hij tegelijkertijd op dat moment in zoverre gezag miste dat zijn uitlatingen – zoals ook [geïntimeerden] hebben gesteld – ook als een rancuneuze reactie konden worden opgevat. Het voorgaande voert het hof tot de slotsom dat, alle bijzondere omstandigheden tegen elkaar afgewogen, het belang van [appellant] om zich vrij te uiten zwaarder behoort te wegen dan de belangen waarvoor [geïntimeerden] opkomen en dat in dit geval derhalve het grootste gewicht moet toekomen aan het belang dat een (vermeende) misstand die de samenleving raakt door bekendmaking aan het grote publiek bestreden moet kunnen worden. Vonnis: de vorderingen worden afgewezen. Vonnis(rechtspraak.nl)